Race and Aesthetics in the Anthropology of Petrus Camper (1722-1789) Amsterdam: Rodopi, 1999
(Studies in the History of Ideas in the Low Countries Volume 4) ISBN: 90-420-0434-7
US $40.00

by Miriam Claude Meijer, Ph.D.
HOME TEXTS PROJECTS ORDER SITEMAP
NATURE VARIETIES ADAM EVE AUTHORS
ACADEMIA LECTURES ARTICLES REVIEWS WEBSITES
SLUIS VERMIJ BARNARD LYNN BERLAND

Rienk H. Vermij, Bijdragen en hededelingen betreffende de Geschiedenis der Nederlanden 115 (2000): 615-616.

          Petrus Camper was een van de belangrijkste Nederlandse natuurwetenschappers uit de tweede helft van de achttiende eeuw. Vanuit zijn medische achtergrond ontwikkelde hij een brede anatomische belangstelling. Op die manier werd hij een van de wegbereiders zowel van de negentiende-eeuwse zoögie als van de fysische antropologie. Het is vooral aan zijn rol in de ontwikkeling van deze laatste wetenschap dat dit boek is gewijd.
          Race and aesthetics heeft iets van een pleidooi. De schrijfster, geboren in Nederland maar sinds haar jeugd woonachtig in de Verenigde Staten, is er vooral op uit om Camper vrij te pleiten van de beschuldiging dat hij een van de theoretici van het racisme zou zijn. Dit verwijt is Camper wel gemaakt van wege zijn introductie van de gelaatshoek. Camper definieerde deze als de hoek die men krijgt als men in het zijaanzicht van de schedel enerzijds neuswortel en gehoorgang, en anderzijds de voorste snijtanden in de bovenkaak en het meest vooruitgestoken deel van het voorhoofd door denkbeeldige lijnen verbindt. Hoe meer het voorhoofd naar achteren wijkt, of hoe meer de kaak naar voren steekt, hoe kleiner deze hoek. Bij mensen was de gelaatshoek 70 à 80 graden, bij dieren veel kleiner; voor de orang-oetan bijvoorbeeld vond Camper 58°. Camper stelde bovendien vast, overigens op basis van zeer weinig empirisch materiaal, dat de gelaatshoek voor verschillende mensenrassen verschilde. Zijn belangstelling schijnt aanvankelijk vooral te zijn ingegeven door de problemen van artistieke uitbeelding — de vraag hoe men een natuurgetrow negerhoofd tekent, of ook waaraan men een ‘antieke’ kop kan herkennen. Met het oog op dat laatste mat hij ook de gelaatshoek van enkele klassieke standbeelden, die extreeem grote gelaatshoeken bleken te hebben: van 90° tot 100°. Het was echter vooral als een algemeen anatomisch kenmerk dat hij zijn vondst later propageerde.
          Campers vondst vond breed ingang. Latere schrijvers pasten de gelaatshoek echter vooral toe om te onderscheiden binnen de ‘keten van het zijn’, waarbij de achterliggende gedachte is dat er een geleidelijke overgang is tussen levensvormen, en dus ook tussen dier en mens. Negers en Aziaten werden hierbij dikwijls als overgangsvormen beschouwd tussen mensapen en Europeanen. Campers gelaatshoek werd dan gebruikt als een objectieve maat voor de mate van ‘dierlijkheid’, waarbij het goed uitkwam dat de gelaatshoek van negers of kalmukken doorgaans iets kleiner was dan die van blanke Europeanen. Camper had vastgesteld dat dit verschil voornamelijk veroorzaakt werd door het meer or minder vooruitspringen van de kaat, maar zijn navolgers zagen liever een verband met het hersenvolume. Meijer laat duidelijk zien dat did racistische gebruik van de gelaatshoek een negentiende-eeuwse innovatie is. Camper zelf geloofde niet in een dergelijke zijnsketen. Hij stelde inderdaad de gelaatshoek vast voor verschillende mensenrassen, maar zulke anatomische kenmerken hadden voor hem geen diepere betekenis. Zaken als huidskleur of gelaatshoek waren onbetekenende variaties, teweeggebracht door omstandigheden. De gelaatshoek verandert bijvoorbeeld naarmate een mens veroudert. Camper was een achttiende-eeuwse verlichtingsdenker, voor wie alle mensen in principe gelijk waren. Voor zover hij zich van zijn tijdgenoten onderscheidt is dat door de radicaliteit waarmee hij dit idee van menselijke gelijkheit uitdroeg. Meijer wijst hier op de invloed van zijn christelijke overtuiging en de physico-theologische inslag van zijn wetenschap.
          Midden jaren tachtig, toen Meijer haar onderzoek begon, moet haar invalshoek een goed idee hebben geleken. Het beeld van Camper als vader van het racisme had zich in tal van antropologische handboeken vastgezet. Inmiddels is de situatie wel drastisch gewijzigd, zoals Meijer zelf moet erkennen. Niet alleen in Nederland, waar de degelijke studie van Visser Camper al in 1985 in een juister perspectief plaatste, maar ook in de Verenigde Staten, waar ook een populaire auteur als Stephen Jay Gould de mythe van Campers racisme inmiddels heeft ontkracht. Meijers sympathieke pleidooi komt daardoor een beetje als mosterd na de maaltijd. Zij wil hierin voorzien door het probleem in een wijdere context te plaatsen en weidt breed uit over de geschiedenis van het rasdenken, de ideeën over de plaats van de mens in de natuur, en de esthetica. Het zijn heldere uiteenzettingen, maar toch ook wel een beetje obligaat. Blijft staan dat het boek een degelijke studie biedt, gebaseerd op grondig bronnenonderzoek, van een nog altijd wat verwaarloosde geleerde uit de Nederlandse achttiende eeuw. Speciale aandacht verdient het bibliografisch gedeelte. Het boek wordt besloten met een uitvoerig overzicht van niet enkel Campers publicaties (die lijst is grotendeels op Visser gebaseerd), maar ook van zijn manuscripten en tekeningen.

book@petruscamper.com

[ home ] [ reviews ] [ texts ] [ projects ] [ order ] [ sitemap ]
Miriam Claude Meijer, Ph.D. © All Rights Reserved

Valid HTML 4.0!