[Petrus Camper (1722-1789),] “Vervolg van no. 7 over de zedelyke opvoeding,” De Philosooph 1, no. 26 (1766): 201-208.

Translated by Miriam Claude Meijer, Ph.D., as:
[Petrus Camper,] “Continuation of no. 7 on the Moral Upbringing,” The Philosopher 1, no. 26 (1766): 201-208.
[#34 = “On Religion”]

DE

P H I L O S O O P H.


N°. 26.

Den 30sten Juny 1766.


[Vervolg van de Zedelyke Opvoeding der Kinderen, Zie N°. 7.]

Het is dikwerf een geschilpunt geweest onder verstandige Ouders, of men jone Kinderen ter Kerk moest zenden, en in de gronden van den Godsdienst onderwyzen. De meesten toonen hier vóór te zyn, veelen egter verklaaren ’er zig tegen, en daar zyn zekerlyk zeer gewigtige bedenkingen tegen in te brengen.
      Men weet, dat jonge Kinderen niet lang werkeloos kunnen zyn, of de tyd verveelt hen geweldig; Gelyk zy nu door het Kerkgaan verpligt worden stil te zitten, zonder dat het geen zy hooren, hen eenige inspanning of bezigheid kan geeven, zo is het natuurlyk gevolg hier van, dat hen al broeg, niet slegts een weerzin tegen de Kerk wordt ingeboezemd, maar dat men hen dit ook, als een pligt, opleggende, zy daar uit een verward denkbeeld leeren vormen, als of men Pligt en Godsdienst kan waarneemen zonder dat ’er de Ziel eenig deel in heeft, en als of het genoeg ware, om aan de oogmerken van het Kerkgaan te voldoen, dat men daar enkel met het lighaam tegenwoordig is. Dit gevolg is ten

THE

P H I L O S O P H E R.


N°. 26.

The 30th June 1766.


[Continuation of the Moral Upbringing of Children, See N°. 7.]

It is...

202 DE PHILOSOOPH.

opzigt van het bidden boven al te vreezen, zy moeten in de Kerk mede bidden, zo als hunne Ouders, of de Dienstboden welke hen verzellen, hen belasten, dat is te zeggen, zy moeten, even als anderen, hun hoed afneemen en voor de oogen houden, en niet rond kyken, terwyl zy ondertusschen geen woord begrypen van ’t geen de Predikant, uit naam der Gemeente, bidt. Het is zeer natuurlyk, dat zy hier door weder een begrip leeren maaken, dat het bidden, althans het bidden in de Kerk, slegts een uitwendige daad is: en, gelyk dit voor hen het lastigste gedeelte van den openbaaren Godsdienst uitmaakt, dewyl zy als dan nog minder beweeging maaken, en geheel niet opkyken mogen, zo is het, uit dien hoofde alleen, weinig te verwonderen, dat verre het grootste deel der Christenen den Openbaaren Godsdienst zo gebrekkig, om niet te zeggen, zo ongeregeld waarneemt; Dat verre de meesten meenen te voldoen met slegts ter Kerk te gaan, zonder zig te bekommeren nog wegens het geen daar geleerd wordt, nog wegens ’t geen zy daar van onthouden en betragten moeten. De oorzaak daar van is by zeeer veelen in de onvoorzigtige handelwyze der Ouderen, ten grooten deele, te zoeken.
      Welke zyn vervolgens de zaaken die meest op den Predikstoel geleerd worden? Zyn het de eerste gronden van den Natuurlyken en Geopenbaarden Godsdienst, het bestaan en de eigenschappen van het Opperwezen, de Waarheid van den Christelyken Godsdienst, de zekerheid van een toekoomend leven, daar zig de Predikanten voornaamlyk mede bezig houden? Zyn het de eenvoudige pligten der Zedekunde, naar vereisch van alle staaten en omstandigheden ontzwagteld, die zy aandringen? Dit zyn zekerlyk de onderwerpen, daar de Geest van Kinderen, en zelfs der meeste volwassenen voornaamelyk of alleen toe bepaald behoorde te worden, en die men evenwel maar zelden verhandelt; ’T zyn geleerde Verklaaringen van duistere plaatsen; ’T zyn de netelige Geschilstukken eener betwiste Godgeleerdheid; ’T zyn algemeene Uitroepingen; Bestraffingen, die elk van zig afweert; Vermaaningen die niets voor het dagelyksche leven bepaalen, welke de

202 DE PHILOSOOPH.

English

DE PHILOSOOPH. N° 26.203

onderwerpen van der meesten Leerredenen uitmaaken; Maar wat zullen, bid ik, Kinderen daar voor nut uit trekken.
     De Val van Adam, de VErdoemenis van alle zyne Nakoomelingen, de Genoegdoening van Christus, en de Uitverkorenen die daar door alleen behouden worden; Verder de H. Drieënheid, de Natuur, en Huishouding der Engelen, het bestaan der Duivelen, en de Magt en Invloed, die zy op onze daaden hebben, en alle dergelyke stoffen zyn gewisselyk niet voor Kinderen, zelfs niet voor ongeöeffende verstanden geschikt. Het laatste inzonderheid, des Duivels magt en invloed op onze bedryven kan zeer ligtelyk misbruikt worden; wy vinden daat niet slegts menigvuldige voorbeelden van in onze tyden, maar zelfs PLATO, die een Hemel en Hel met deszelfs booze Geesten fraey heeft afgeschilderd, merkt daar by tevens aan, “dat de Kwaaddoenders zig ook toen reeds van des Duivels vermogen bedienden, om zig zelven van den schuld hunner misdaaden vry te pleiten.” Peccati causam non in sese, sed in fortunam & Dæmones derivasse, & omnia potius, quam se ipsos accusasse. Dit is zo veel minder vreemd, om dat zommigen aan dit helsche wezen meer werkingen en invloed op ons gemoed toeschryven, dan aan het Goedertieren Opperwezen; althans zodanige uitdrukkingen gebruiken, als of zy van die gedagten waren; Altoos koomt de Duivel voor als in de Contramine van God; Hy werkt tegen denzelven omd de Menschen te bederven, en wordt menigwerven als overwinnaar in dien stryd voorgesteld.
      Verder kunnen de Spooken, het zy men daar onder de Duivels of de Zielen van kwaade Menschen betrekke, die op de aarde omzwerven, om het kwaadaartig vermaak te hebben, van Kinderen, Vrouwen, en bygeloovige Mannen te vervaaren, waaraan zommigen onzer Leeraaren gelooven, geene gunstige uitwerking op den geest van jonge Kinderen hebben.
      De Droomen en Gezigten zelve, die in de H. Schrift voorkomen, dienen met oordeel en omzigtigheid voor Kinderen behandeld te worden; Daar is nooit eenig het minste verband bewezen tusschen een droom en het

DE PHILOSOOPH. N° 26.203

English

204 DE PHILOSOOPH.

geluk of ongeluk van een of meer Persoonen, ’t welk door dien Droom wordt aangeduid, en ik achte het, (gelyk de Heilige Schrift zelve ons daar aanleiding toe geeft) voor een belagchelyk bygeloof, om daar op agt te slaan; Ondertusschen is ’er meer dan ééne voorzeggende droom en gezigt in de H. Schrift voorhanden, waar door God zyn wil of toekoomende zaaken heeft bekend gemaakt; Deze Goddelyke Openbaaringen nu, niet zorgvuldig tot deze tyden en Persoonen bepaald wordende, kunnen in tedere harsenen ligtelyk een indruk maaken, als of wy nog op droomen letten moesten.
      Gelyk dit alles nu op den Predikstoel meermaalen verhandeld wordt, zo is de vraag of het nuttig zy, dat Kinderen zodanige dingen hooren, en dat wel in een huis aan God toegewyd, en waarvan de eerbied zulk een Vermogen heeft op hunne Ziel, dat zy niet durven twyffelen of onpartydig onderzoeken, of, en in hoe verre het geen de Leeraars voordraagen, waarheid zy? in een ouderdom ook, waar in zy voor zodanig een onderzoek onvatbaar zyn? en met harsenen, die nog geheel ledig, of ten minsten weinig vervuld zyn van eene beredeneerde Kennis en verstandelyke overtuiging der grondwaarheden van onzen Redelyken Godsdienst?
     Ik spreek van Beredeneerde kennis en Verstandelyke overtuiging. Ik wil namelyk niet, dat men de Kinderen het bestaan van een God, de zekerheid van een toekoomend leven, het algemeen oordeel, dat ’er over alle onze Daaden, Woorden en Gedagten, ten jongsten Dage, zal gehouden worden; en dergelyke grondwaarheden niet reeds in zulk een ouderdom inprente, waar in zy nog niet in staat zyn, om dit alles uit te pluizen, en diepzinnig te beredeneeren; Neen! men boezeme het hen vroegtydig in als vooroordeelen, daar zy in ryperen Ouderdom, en by nader onderzoek, de zekerheid van ontdekken zullen! wat nadeel kunnen die Vooroordeelen, als men ze dan zo noemen moet, immer doen? Het is niet moogelyk, kinderen zonder vooroordeelen op te voeden. Men zal hen immers de Kennis, wie hun Vader, Moeder, Broeders

204 DE PHILOSOOPH.

English

DE PHILOSOOPH. N° 26.205

en Zusters zyn, niet willen onthouden, en evenwel moeten zy dit alles in hunne jonge jaaren, by vooroordeel gelooven; Het Kind begrypt even weinig wat het te zeggen is Vader te zyn, als wat het denkbeeld van het Opperwezen insluite? en heeft even weinig begrip, van zyne eigenlyke betrekking tot zyne Broeders en Zusters, als hoe God de Schepper is van alle Menschen: Het gelooft het een en ander op gezag van hen, daar het mede omgaat. En gelyk men dus niet voorby kan den kinderen zodanige vooroordeelen in te boezemen, zo acht ik het geenzints noodig om alle Godsdienstig Onderwys zo lang uit te stellen, tot dat het oordeel ryp is. Men kan hen de eerste Gronden van den Godsdienst vroeger leeren, als het maar met behoorlyke omzigtigheid geschiedt.
     

DE PHILOSOOPH. N° 26.205

English

206 DE PHILOSOOPH.

Dutch

206 DE PHILOSOOPH.

Dutch

DE PHILOSOOPH. N° 26.207

Dutch

DE PHILOSOOPH. N° 26.207

English

208 DE PHILOSOOPH.

Dutch

C.


Deeze Vertoogen worden alle Maandagen uitgegeeven, te Amsterdam, in de Boekwinkels van Pieter Meijer, vooraan op den Vygendam, en van de Wed. K. van Tongerio en Zoon, in de Kalverstraat; als mede te Dordrecht by de Erven van Braam en A. Blussé, Haarlem by J. Bosch en N. Beets, Delft by E. v. d. Smout, ’s Gravenhage by H. C. Gutteling, Leiden by P. van der Eyk, Rotterdam by R. Arrenberg en D. Vis, Middelburg by P. Gillissen, Utrecht by G. vander Veer, Leeuwaarden by H. A. de Chalmot, Franeker by J. Ippinga, Harlingen by F. van der Plaats, enz.

208 DE PHILOSOOPH.

English

C.

09/22/05 Valid HTML 4.0!