[Petrus Camper (1722-1789),] “Brief over de zedelijke opvoeding der kinderen,” De Denker 3 (1766): 241-248.

Translated by Miriam Claude Meijer, Ph.D., as:
[Petrus Camper,] “Letter on the Moral Upbringing of Children,” De Denker 3 (1766): 241-248.
[#29 = “On Sons”]

DE

D E N K E R.


N°. 136.

Den 5. AUGUSTUS 1765.


Vervolg van N°. 134.

Zeer verstandig moedigt PLATO(a), die anders een vyand schynt van Fabelen, den Ouderen aan, om den geest hunner kinderen wel te beproeven, met de volgende verciering: als of de Goden in de gemoederen van den genen, welke tot regeering geschikt waren, goud gemengd hadden, zilver in die, welke daar toe behulpzaam zyn moesten; kooper en yzer in de gemoederen der werklieden; dog dat, om de gelykvormige oorsprong van het menschdom, zomwylen uit een goudene een zilvere, en uit een zilvere een yzere verwekt wierdt. Dat God, om die reden, van een ygelyk geëischt hadt zorg te draagen voor de jong geboorenen, om te weeten of ’er uit deeze vier stoffen iets in gevonden wierdt, en wanneer de Ouders ondervonden een yzeren te hebben, niet te onvrede moesten zyn, maar dien opbrengen tot den Landbouw; wanneer een gouden, dat die alsdan tot Eerampten moest aangelegd worden.
     Ik durf de toepassing bynaa niet maaken, Heer Denker! op onze Landgenooten; waar vindt men

(a) De Rep. Lib. III. p. 415.

The

T H I N K E R.


N°. 136.

The 5. AUGUSTUS 1765.


Continued from N°. 134.

English

242 DE DENKER. No. 136.

Ouders, die zig niet vleien dat hunne kinderen goud in zig hebben? de gemeene Burgers zelfs bedriegen zig met die verwaandheid. Hoe zouden verscheidenen van onze ryke en aloude geslachten verbaasd zyn, wanneer ’er, gelyk over het goud, een Provintiaale Keurmeester aangesteld wierdt, die, naa het verstand der kinderen getoetst te hebben, moest bepaalen, welke tot een Boer, Opperman, Burgermeester, of eerste Minister moest opgevoed worden? hoe zoude het hart kloppen van hunne vrouwen, op de keur, of Juffer Kaatje tot Princes, of Mietje tot werkmeid moest opgevoed worden?
      Beschouwen zullende, wat de kinderen leeren moeten, dagt ik niet geheel en al van den weg af te dwaalen, indien ik den Ouderen liet zien, dat niet alle hunne kinderen even eens geleerd moesten worden, ofschoon zy ééne geboorte, en een zelfde aandeel zouden hebben in de onderlinge goederen.
     Meenig een, immers, slaagt slegt in de regeering, die een uitmuntend krygsheld zoude geweest zyn, en veelen worden tot de Toga opgevoed, die zeer goede landbouwers, en nog meerder tot den Predikstoel, die uitneemende Ossehoeders zyn zouden! Men vindt het ook anders om; men vindt immers onder de allerafgelegendste volkeren, zelfs onder de wilden, die noch onderrigting, noch verhevene voorbeelden voor zig gehad hebben, zommige, die in uitsteekende deugden uitblinken, zoo waar is het, dat noch opvoeding, noch geleerdheid, noch wysgeeren, een deugdzaam en verstandig man maaken, maar dat zy dus gebooren worden. PLATO(b) merkt te recht op, dat de

(b) De Leg. Lib. XI, pag. 951.

242DE DENKER. No. 136.

English

DE DENKER. No. 136. 243

zulke wel niet beschaafd noch volmaakt zyn zullen, maar dat daarom de kracht van hun verstand, en de glans van hunne deugden niet minder zyn zullen.
      Het bestaan der werreld is thans zoo, dat de kinderen in het fortuin van hunne Ouders deelen, en niet opgebragt worden naar de vermoogens van hun geest, maar van hun geld. Daar behoort veel geld toe, om iemand deftig en wel op te voeden. Het is derhalven niet doenlyk, dat kinderen van allerlerlei Ouderen eene zelfde opvoeding verkrygen kunnen. Was het moogelyk de kinderen zoo in het gemeen te houden, als PLATO voor den staat onderstelt best te zyn, men zoude alsdan in yder beroep uitmuntende voorwerpen hebben; dog dit volstrekt onbestaanbaar zynde met de schikking der tegenwoordige werreld, moet men onderzoeken en aantoonen, wat de kinderen in het algemeen moeten leeren, en een yder naar zyn rang in het byzonder.
     Men heeft de gewoonte alle kinderen zonder onderscheid met de drie of vier jaaren te laaten leeren leezen, schryven en cyfferen. Dit schynt my toe zeer loffelyk te zyn in de kinderen, welke vervolgens tot de regeering, oorlog, geleerdheid of koophandel opgebragt worden; dog behoeft geenzints in ambagtslieden welker kinderen meer nut hebben, en hunnen Ouderen meer voordeel toebrengen konnen, met vroeg een of ander handwerk te leeren. Het is immers, volgens het oordeel van een verstandig regeerder over een der aanzienelykste Steden van ons Gemeenebest, genoeg, dat zy die konst kennen, tegens dat zy twintig jaaren oud zyn; dog anderen, welke hunnen geheelen leeftyd wel noodig hebben om veele andere dingen te leeren, moeten zeer vroeg beginnen. Evenwel moet ik eene uitzondering maaken, wanneer

DE DENKER. No. 136. 243

English

244 DE DENKER. No. 136.

de ambagten veel krachts vereischen, of wel wanneer de kinderen tot boerenwerk geschikt zyn; Het is myns oordeels alsdan beter, dat zy de eerste jaaren, in de schoolen, met leeren doorbrengen, het lighaam krygt onderwylen meerder kragt en wordt bekwaamer om zwaaren arbeid te verdraagen: offschoon deeze opmerking onnut schynt te zyn omtrent het bestek van de Haarlemsche Maatschappye, geloof ik evenwel, dat de Regenten van Weeshuizen, en openbaare Schoolen als mede de Opzieners der armen in de dorpen hier van gebruik konnen maaken.
     Ik moet PLATO dikmaal te hulp roepen, niet om dat myne redenen geen klem zouden hebben zonder geslaafd te zyn met het gezag van zoo groot een Wysgeer, maar om meerder kragt by te zetten aan de overtuiging: en dus in het algemeen beschouwen, wat vereischt wordt in iemand, welke tot de regeering bestemd is: dan tot den kryg: en eindelyk tot de letter-oeffeningen en koophandel?
      Een Regent moet kragt van wetten, geschiedenissen, en de grondbeginzelen van wysheid kennen; hier toe wordt de jeugd van iemands leven geheellyk vereischt. Zyn gemoed, dat is zyne ziel moet door de musyk, zyn lighaam door de gymnastica geoeffend worden. Door deeze verstaat PLATO allerlei spelen, worstelen, rennen, dansen, paard ryden en dergelyken, door de musica de letteroeffeningen, Poësy, en wysbegeerte, dat is gemaatigdheid, milddadigheid, verhevenheid en dapperheid.
     Laat nu uwe kinderen van de eerste kindsheid af paard ryden, danssen, schermen, springen, jaagen en hevige oeffeningen leeren, zy zullen onbekwaam zyn tot redeneering: dat is tot wel te

244DE DENKER. No. 136.

English

DE DENKER. No. 136. 245

denken(c). Laaten zy integendeel, van hunne kindsheid af in de schoolen opgevoed worden, daar men alleenlyk de ziel oeffent, zy zullen onbekwaam zyn tot den kryg; PLUTARCHUS merkt zeer wel op dat de in umbra educati tot den kryg en oorlog niet geschikt zyn(d).
     Gy vraagt hoe zal men dan PLATO verstaan, die alle de kinderen niet alleenlyk, maar zelfs de meisjes wil laaten leeren spiessen werpen, jaagen, paard ryden, en dergelyken? PLATO redeneert zeer wel, uit zyne onderstelling, dat, zal het gemeene best zig zelven konnen verdeedigen, de Vrouwen, om niet de helft der burgers te vergeefsch te voeden, zouden ten oorlog trekken moeten(e).
      Dit koomt niet alleenlyk hier niet te passe, maar strydt zelfs met PLATO’s stelling, hy wil immers uit de jeugd, nu tot mannelyke jaaren gekoomen, kiezen de bekwaamste tot yder bestaan afzonderlyk, dat is tot ampten, als zy 30 jaaren oud zyn, het zy tot regeering of in krygszaaken.
     Die tot koophandel geschikt zyn, moeten voor al niet te veel weetenschappen leeren, want als dan hebben zy geen geduld tot dezelve: het gebeurt immers maar zeer enkel, dat een Geleerd man teffens een Koopman zy, welke vlytig op zyne zaaken past. Tot koophandel behoeft geene uitgestrekte wetenschap wel schryven; Wel rekenen, eenige taalen te kennen, en de slender van Beurs, Wissel, en handel zyn het voornaamste; naarstigheid, en eerlykheid geeven het meest credit, en de meeste winst.

(c) Exercitationum labor Spiritum exbourit, et inhabilem inteutioni ac Studiis acrioribus reddit. SENECA Epist. XV. C. p. 412.
(d) De Lib. Educ. Tom. II. pag. 8. D. E.
(e) Gelyk Lib. V. de Rep. passims.

DE DENKER. No. 136.245

English

246 DE DENKER. No. 136.

     Groot verstand en kennis konnen een man een zeer groot onderneemend koopman doen zyn, dog daar van hebben wy slegts enkele voorbeelden; Rykdommen te verzaamelen is het groot einde van handel te dryven, en hierin leert de ondervinding dat middelmaatige verstanden beter slagen dan verhevene geesten.
      Omtrent de krygs helden is het zelfde aan te merken, hoe zy minder ervaren zyn in Wetenschappen, hoe zy beter officieren zyn; het net uitreekenen van kansen om een veldslag te winnen of te verliezen, te sneuvelen of niet te sneuvelen geeft geen helden moed; stoutmoedigheid overwint, audaces fortuna juvat, en het hart van een braaf man moet door eer geprikkeld worden en niet door redeneering. Wy spreeken van het algemeen, en niet van een enkelen held, die een geheel leger gebiedt, een, die daar toe bekwaam is, wordt door de natuur gevormd, en overtreft door zyne vermoogens alle die middelen, welke immer opvoeding aan de hand geeft. ALEXANDER hadt zyne dapperheid, en grootmoedigheid niet aan ARISTOTELES maar aan zynen eigen aangebooren aart te danken: groote mannen breeken van zelven door, en habben noch meesters, noch boeken noodig: Zy letten op wat de ondervinding geleerd heeft meest te gelukken, zonder zig te bekommeren of dat volgens de Logica geschiedt:
     Aan allen behoort de Geometrie, of Wiskunde onderweezen te worden, omdat zy, gelyk PLATO te recht aanhaalt(f), ons gemoed tot waarheid verlokt. Zy is inzonderheid noodig, zegt hy, aan Krygshelden, die evenwel volgens zyne stelling

(f) Lib. VII. p. 526. D.

246 DE DENKER. No. 136.

English

DE DENKER. No. 136. 247

eerst moeten leeren rekenen, of tellen, op dat men hen niet verwyte, gelyk PALAMEDES aan AGAMEMNON deedt(g), als of hy niet wist hoe veel voeten hy hadde.
      Hoe zeker het ook zy, dat de smaak van waarheid ons allen nuttig is, ben ik van gedagten, dat men eenen Poëtischen geeft geheel bederft met de Geometrie. Daar is iets in de schoone en verhevene Gedichten, ’t welk niet kan nog moet onderzogt worden, met de netheid van een Geometrisch bewys, ik houde my verzekerd, dat EUCLIDES en ARCHIMEDES elendige Poëten, ten minsten niet beter dan PERE MALEBRANCHE zouden geweest zyn(h).
      Allen menschen zonder onderscheid komt het geheugen te passe, het is het cieraad van een verstandig Man, van welk een beroep hy ook zy, om welke rede alle kinderen hier in behoorden geoeffend te worden: alle de Oudste en Beste Wetgeevers hebben dit aangepreezen.
     Men laat veeltyds de kinderen de Musyk, dat is de Zangkonst leeren; voor tydkorting is het niet kwaad, alleen heb ik ’er dit tegen, dat zy te verleidende is; en de lust voor wetenschappen, en het verrigten van zaaken bederft: de Viool is het slimste en verderfelykst Speeltuyg. Nimmer heb ik een fatzoenlyk Man gezien, die zig aan de Musyk van jongs af toe gegeeven hebbende, zaaken wilde doen. Ik houde het een goed middel te zyn, om de jeugd niet eerder snaartuygen te geeven, voordat zy 18 of 20 jaar oud zyn, dan

(g) Ibid. p. 521. D. E.
(h) Zyn eenigst vers was dit.
Il fait le meilleur tems du monde
Pour aller a cheval sur la terre & sur l’onde.
DE DENKER. No. 136. 247

English

248DE DENKER. No. 136.

hebben zy reeds smaak voor waare wetenschap, en verlaaten de musyk, omdat hunne verwaandheid niet gevleid wordt, wanneer zy niet schielyk wél speelen konnen.
     Het danssen kan nimmer kwaad, die konst leert men om ze te vergeeten als wy 25 jaaren oud zyn; tekenen, schilderen vereischt te veel tyd, om lang geoeffend te worden, men loopt daarom geen gevaar ’er door gehinderd te worden in zyne zaaken. De Musyk, dat is Zangkunst, verleid en flind te veel tyd, gelyk ook de Dichtkonst, gelukkig oordeele ik iemand, welke daar van afgehouden is door de wysheid zyner Ouderen.
      Een Krygsman, een Officier moet niets doen als jaagen of Musyk oeffenen, naa een weinig het noodige van de Krygskonst geleerd te hebben. De jagt maakt zyn lighaam sterk, de Musyk doot zyn tyd, als hy ’s winters in het Guarnisoen omloopt, en belet hem te konstig te denken aan zyn beroep.
     Alleenlyk algemeene regels bedoelende, kan ik my niet inlaaten in den byzonderen leertrant van yder Wetenschap; Behalven de bekende Schryvers heeft B. VERULAMIUS(i) hier over byzonder gehandelt. Het geen ik in dit Vertoog beoogd hebbe, is alleenlyk toepasselyk op de Jongens: in het volgende zal ik de Jonge Meisjes en Maagden lessen van opvoeding voorschryven.

(i) De Augment. Scient. Cap. IV. pag. 193. Vol. I. Operum Omnium.

C.

248 DE DENKER. No. 136.

English

C.

08/10/05 Valid HTML 4.0!