[Petrus Camper (1722-1789),] “Brief over de zedelijke opvoeding der kinderen,” De Denker 3 (1766): 225-232.

Translated by Miriam Claude Meijer, Ph.D., as:
[Petrus Camper,] “Letter on the Moral Upbringing of Children,” De Denker 3 (1766): 225-232.
[#28 = Bringing Up Happy Children - Part V]

DE

D E N K E R.


N°. 134.

Den 22. JULY 1765.


Nil dictu fœdum visuque bæc limina tangat
Intra quæ Puër est! — —
Maxima debetur Puero Reverentia. —

JUVENALIS.

Vervolg van N°. 132.

Wanneer wy op de gevolgen letten van opvoeding en het daar uit vloeijend gedrag van de meeste jeugd, zullen wy bevinden, dat Luiheid en Wulpsheid de oorzaaken zyn van het bederf der meeste Jongelingen en het ongeluk van veele jonge Dogters: ondeugden, welke niet oorsprongelyk opkoomen in de kinderen, maar voortgeteeld worden door het onvoorzigtig gedrag en het kwaade voorbeeld der ouderen. “Want dit is de Wet der Natuur, dat wy eerder door huisselyke Voorbeelden bedorven worden, naar maate zy, welke ons dezelve geeven, meerder aanzien hebben”.

Sic Natura jubet; Velocius, & citius nos
Corrumpunt vitiorum exempla domestica, magnis
Cum subeant animos autoribus
(*).

De meesten immers leeven te weitsch, te prachtig en te ydel, om met een goed voorbeeld den kinderen voor te gaan en aan te moedigen tot naarstigheid en een eenvoudig leven. Welk eene waarschynlykheid is ’er voor, bid ik u, dat uwe kinderen zullen willen te voet gaan, daar zy van de geboorte

(*) JUVENALIS Sat. XIV.

The

T H I N K E R.


N°. 134.

The 22. JULY 1765.


Nil dictu fœdum visuque bæc limina tangat
Intra quæ Puër est! — —
Maxima debetur Puero Reverentia. —

JUVENALIS.

Continued from N°. 132.

English

226 DE DENKER. No. 134.

af in de koets gereeden hebbende, zo vroeg geleerd, en zo lang gewoon zyn zig gemakkelyk in een hoek te plaatsen? Een Boeren jongen vindt eene karre gemakkelyk, een ryk mans kind kan het stooten van eene koets op het Weesper-plein niet verdraagen; en wie is hedendaags niet vermoeid en afgemat, als hy in geen Coupé a doubles Ressorts naar de Beurs of het Koffyhuis rydt? Daar de Vader, in eene stoffe japon en hoog getooide muts, ’s morgens niets doet, als deftig zyne pyp te rooken, of de courant te leezen, of om bezigheids wille een steek aan het net, (’t welk altoos naast de schoorsteen hangt,) breidt, of in gezelschap is, hoe wilt gy, dat de zoon zynen tyd zal doorbrengen? Wat zal de dogter doen, daar de Moeder aan het toilet, in haar koets of gezelschap den geheelen dag doorbrengt? “Onthoudt u derhalven van wanbedryven; Eene Rede behoort u hier van inzouderheid kragtig af te schrikken, op dat, namelyk, uw kroost u niet ongelukkig volge, naardien wy allen niet dan al te gereed zyn om ons naar kwaade en schandelyke voorbeelden te schikken”. Dus mag ik u, myne Landsgenooten, wel met de woorden van den reeds aangehaalden Romeinschen Hekeldigter raaden,

Abstineas igitur damnis. Hujusce etenim vel
Una potens ratio est, ne crimina nostra sequantur
Ex nobis geniti; Quoniam dociles imitandis
Turpibus ac pravis omnes sumus.

De jonge Heer wordt door den Lyfknegt, de Juffer door de Kamenier bedorven, en in het oor geblaazen dat de ouders schatryk zyn, en door dit laf gevlei afgetroont van alle werkzaamheid. Men kleedt de kinderen prachtig; niets wordt gespaard om hunne verbeelding te bedriegen; is het de schuld van den Jongeling, wanneer hy luy en wulpsch wordt,

226 DE DENKER. No. 134.

English

DE DENKER. No. 134. 227

de Schouwspelen, Harddraavers en Wedloopen bemint? Men kan niet onaardig op onze Stad toepassen ’t gene QUINTILIANUS van Romen zegt(a). Jam vero propria & peculiaria hujus urbis vitia pœne in utero matris concipi mihi videntur, histrionalis favor, & gladiatorum, equorumque studia; “dat de feilen, welke hier eigen en byzonder zyn, reets in ’s moeders schoot voortgeteeld worden, te weeten de drift tot toneelspeelders en de liefhebbery voor paarden; (mogt ik ’er byvoegen van gevegten!)” dog daar toe is de verwyfdheid te groot geworden!
     Ondervindende dat de kinderen, ouder geworden, bedorven zyn, leggen de ouders zig toe op artzenyen, om niet alleen mooije, maar ook goedaardige kinderen te teelen; gemeenlyk neemt eene oude Coquette een geestig Apotheker in haare bescherming tegen dat haar dogter, nieuwlings gehuuwd zynde, kraamen moet, om agter het geheim te komen van het Hermesias der Ouden, waar van PLINIUS(b) verhaalt, dat het eene zamenstelling was van pyn appelzaad, met honing, myrrhe en palmwyn gemaakt, het welk de moeders, onder het opzeggen van abra cadabra, moesten met melk drinken, of de minne, op dat de kinderen niet alleen fraay en bevallig van lighaam en geest, maar teffens deugdzaamer zyn zouden! O uitzinnige dwaaling! Uwe kinderen, dwaaze ouders! zyn lui en dartel, om dat zy zig uit uwe pracht verbeelden, en van anderen hooren, dat gy groote schatten zult nalaaten. Waarom zegt gy hun niet by tyds, hoe groot hun aandeel zyn zal? waarom moeten de kinderen onkundig blyven van een geheim, ’t welk hun ongelukkig maakt? Alle ouders hebben dat zwak, en bedekken zoo wel

(a) De Orat. Dial. §. 29
(b) Hist. Nat. Lib. 24. Tom. II. p. 352.

DE DENKER. No. 134. 227

English

228 DE DENKER. No. 134.

hunne inkomsten als verteering. Gelooft gy niet met my, verstandige ouders, dat wanneer men zynen zoon, tot jaaren van onderscheid gekomen zynde, by het nieuwe jaar, liet zien, hoe hoog de verteering van het huishouden beliep, en hoe groot de inkomsten waren en dus het capitaal, dat hy dieper indruk krygen zoude van de noodzaakelykheid, om zig op neering, koopmanschap of studiën toe te leggen, dan nu hy niet als weelde ziet, en nimmer leert hoe veel ’er vereischt wordt om een maatig huisgezin te onderhouden? Zal het den zoonen geene prikkeling byzetten, als zy zien dat de Vader, door zynen arbeid, een groot gedeelte van die kosten wint? Waarom niet gezegd, zie daar, kinderen! zoo veel bedraagt ons goed, ’t geen wy bezitten, zoo veel brengt my myn beroep in; onze verteering beloopt op deeze som, en de kosten, welke ik tot uwe opvoeding besteede, zoo hoog. Dit alles behoort my of ons toe, en van deeze goederen konnen wy zoodanige verdeelingen maaken als het ons behaagt: alleenlyk bepaalt de Wetgeever een zeker gedeelte. Wanneer gylieden u wel gedraagt, zullen wy eene evenredige erfschat maaken; den onwilligen zullen wy onterven, en indien allen zig ongehoorzaam gedraagen, zal niemand meerder hebben dan zyn wettig erfdeel. Uit de balancen van huishouding en inkoomen hebt gy gezien, hoe veel ’er vereischt wordt. Volgt ons voorbeeld, weest arbeidzaam en bemint de deugd, zoo zult gy, even als uwe ouders, een gezegend leven leiden, enz.
      Thans integendeel, verlangt een dartele zoon naar den dood zyner ouderen, alleen uit Nieuwsgierigheid om te weeten hoe veel hy bezitten zal! En og of hy dan zig nimmer bedroogen vondt; hoe veelen moeten hunnen staat niet verminderd zien, op het punt als zy meenden groote heeren te worden.

228 DE DENKER. No. 134.

English

DE DENKER. No. 134. 229

     Zoodraa de kinderen vatbaarzyn om de waarde van munt te kennen, wilde ik hen tot arbeidzaamheid aanmoedigen door geld, en hen verlofgeeven, dat te doen oploopen; of op winste uit te zetten, of wel gebruiken te laaten om de kleinigheden te koopen, welke zy noodig hadden; het is een pryswaardig beginzel om uit zyn arbeid voordeel te trekken: misschien boezemt deeze wyze te groote eene genegenheid tot geld in, dog die feil is minder gevaarlyk, dan verwaandheid, welke altoos armoede na zig sleept.
     Ouders behoren ook al vroeg, myns bedunkens, tegen dat de kinderen huuwbaar worden, op hunne hartstogten te denken. Op zig zelven genoomen, is de drift tot de wederzydsche kunne niet berispelyk nog strydig met de zeden, en natuurwetten. Twee van verschillende sexe, afzonderlyk opgevoed, zonder eenig onderwys, zouden dezelve gevoelen, en zig voldoen, zo dra zy gelegenheid hadden, zonder zig schuldig te maaken aan een eenige misdaad. Het is een drift welke de Natuur ons ingeschaapen heeft, welker einde is de vermenigvuldiging van het Menschelyk geslagt, en kan derhalven nimmer kwaad zyn in zig zelven. Gelukkig waren wy, indien wy in den staat der natuur leefden, dan behoefde ’er zoo veel wysheid niet om deugdzaam te leven, nog onderrigting en opvoeding om het burgerlyk kwaad van het zedelyke te onderscheiden! Een jongman huuwbaar zynde, zal liefde gevoelen tot eene enkele jonge dogter, de aard der liefde veelt geene twee, hy zal haar trouw zweeren en houden, zie daar een volmaakt huwelyk; om dat zyne keure valt op zodanig eene, welkers hoedanigheden hem behaagen: meerder behoort ’er niet tot een Natuurlyk Huwelyk.

DE DENKER. No. 134. 229

English

230 DE DENKER. No. 134.

     Het is anders gelegen met ons ongelukkige stedelingen en ingezetenen van een Land, welk wy in weerwil van de natuur bewoonen. Daar behoort by een fatzoenelyk bestaan kennis van handel, of geleerdheid; tyd is ’er noodig die te verkiezen en hier uit volgt dat een jongman niet huwelyken kan, dan wanneer hy in staat is, de kost te kunnen verschaffen aan de huishouding welke hy opricht. De jongman kan derhalven niet huwelyken op dien tyd als de Natuur hem ’er toe aanzet. De onzondige drift der Natuur wordt nu verveelend, overmeestert hem, hy tracht haar op allerleie wyzen te voldoen, daar wordt derhalven veel konst vereischt hem hier in te beletten. Het is nu de plicht der ouders den zoon te overtuigen, dat het hem niet geoorloofd is, die drift, hoe betaamelyk aan ieder, te voldoen; om dat de burgerlyke wetten het niet toestaan, dan aan zulken, welke wettig verbonden zyn: ook dat het strydig is, met de goddelyke wetten, om dat het hoererye is, welke verboden wordt. Zeer wel heeft PLUTARCHUS(c) opgemerkt, dat men den kinderen eerst moet onderwyzen van dit kwaad, dat men ze moet dreigen, indien zy zig willen overgeeven aan die geweldige drift, en met beloften vleïen, afschrikken met voorbeelden van de zodanigen welke zig door wellust ongelukkig gemaakt, en aanmoedigen met de zulken, welke met ingetoogenheid roem behaald hebben. De twee hoofdbeginzels van deugd immers zyn, hoop van Eer, en vreeze voor schande. DIOGENES ging verder, hy wilde dat men de jongelingen zoude leiden in hoerhuyzen, op dat zy een walg zouden hebben van de gruwelen, welke daar om gaan, en te hooger gevoelen zouden van de deugd(d), was het hier mogelyk, gelyk

(c) De Liber. Educ. p. 12.
(d) PLUTARCH. ibid. p. B. C.

230 DE DENKER. No. 134.

English

DE DENKER. No. 134. 231

in vreemde Landen, hun te laaten zien de elendige en verderfelyke ziektens, welke ’er uitvolgen, misschien schrikte men hen te geweldiger af.
     Onderwylen leert hun de natuur, of het kwaade gezelschap van anderen, en nog meerder de versoeijelyke Boeken middelen om zig eenigermaaten te voldoen, dikwils onweetend dat dit niet alleen ongeoorloofd en zondig, maar ook nadeelig is voor hunne gezondheid, dwaalen zy in het geheim, en bedriegen met den schyn van deugd hunner ouders. Ik oordeele dat het de plicht is van ouders, hunne kinderen daar over tydig te onderhouden en het kwaade aan te toonen.
     Ouders behooren verder te gaan en hen te onderrigten, welke driften geoorloofd of ongeoorloofd zyn te volgen, ook denkbeeld te geeven van bloedschande, te meer, om dat zy in de natuur niet legt; maar alleen strydig is, tegens de gerustheid en order der zaamenleeving, en het nut der Maatschappye.
     Ondervinden zy dat hunne zoon, of dogter onbekwaam zy om de hevigheid der natuurlyke drift te wederstaan, zy moeten hem of haar uithuwelyken. Het huwelyk immers is de veiligste band voor de jeugd. Tutissimum est juventutis vinculum(e).
     Maar vooral is het de plicht van ouders, den kinderen onder het oog te brengen de versoejelykheid der grootezonde, om dat niet alleen de natuur een afschrik heeft van dezelve, maar om dat de goddelyke wetten haar verbieden, en de wereldyke rechter dezelve in ons gemeenebest met de dood straft. De ondervinding heeft, helaas! te veel doen zien, dat jongelingen door de versoejelyke drift van anderen verleid, of door beloften omgekogt zyn geworden.

(e) PLUTARCH. l. cit. pag. 13. F.

DE DENKER. No. 134. 231

English

232 DE DENKER. No. 134.

Kan ’er ongelukkiger staat voor het gemoed gevonden worden, dan zig strafbaar te zien uit onkunde! wie is meerder te beschuldigen, de verleider, of die geenen welke de verleiding mogelyk gemaakt hebben, door een ingebeelde schaamte, van niet by tyds hunnen zoon onderrigt te hebben? Zeldzaam helt de jeugd tot die schandelyke drift: het zyn bejaarde mannen welke de jeugd verleiden, en wanneer het gebeurt, is het uit geveinsdheid, of om de lasten te ontgaan welke op hoerereije volgen. Gebruik eene andere voorzorg, tedere ouders! laat nimmer uwe zoonen by Meyden slaapen, dan tot de agt jaaren; en geeft agt dat zy zedig en deugdzaam zyn: laat veel minder uwe zoonen by mannen slaapen, opdat zy niet onwetend en onverwagt bedorven worden. Ik beken; alles is niet voor te komen, maar het veiligst is de zoonen zelfs yder afzonderlyk te laaten slaapen, en de dogters van gelyken. Onderrigt yder wanneer het tyd is, en als de omstandigheden niet langer toelaaten, dat gy uwe kinderen naauw onder het oog hebt; Eens immers moeten zy aan zig zelven overgelaaten worden, dog wel onderrigt van het kwaad, het welk zy vermyden moeten, zullen zy het met vrugt te keer gaan, ten weinigsten niet onkundig zondigen, veel min u verwyten konnen, van agtergehouden te hebben, ’t geene zy noodwendigst weeten moesten.
      Laat uwe kinderen dan nimmer ledig omloopen, doe ze werkzaam zyn, weetenschappen leeren, en handwerken tot tydkorting en lichaamsoeffeningen, beiden deeze houden hun bezig en dooven de wellustige gedagten, die allermeest vallen in de zulken, welke door het kwaade voorbeeld hunner ouderen tot ydelheid opgevoed, en door laffe vleiers om den tuyn geleid worden.

C.

232 DE DENKER. No. 134.

English

C.

08/09/05 Valid HTML 4.0 Transitional