[Petrus Camper (1722-1789),] “Vervolg van no. 26 over de zedelyke opvoeding,” De Philosooph 1, no. 47 (1766): 369-376.

Translated by Miriam Claude Meijer, Ph.D., as:
[Petrus Camper,] “Continuation of no. 26 on Moral Upbringing,” The Philosopher 1, no. 47 (1766): 369-376.
[#35 = “On Humanitarianism”]

DE

P H I L O S O O P H.


N°. 47.

Den 24sten November 1766.


Vervolg van de Zedelyke Opvoeding der Kinderen, enz. N°. 26.

Het medelyden is in de zaamenleeving zo groot eene deugd, dat het den kinderen van der jeugd af aan behoort ingescherpt te worden, en wel zo veel te meer, dewyl allen zonder onderscheid eene geneigdheid schynen te hebben tot Wreedheid: Eer zy spreeken kunnen immers scheppen zy vermaak in hunne Minte slaan of te knypen, en geeven door hun gelag vreugde te kennen, wanneer deze veinst smert te gevoelen. By aldien wy de oude en laatere historien doorloopen, ontmoeten wy overal zulke verschrikkelyke voorbeelden van gruwelyke wreedheid, dat men geenzins behoeft te twyffelen of alle menschen hebben min of meer eene natuurlyke geneigdheid tot die haatelyke drift.
      Het beklaagelykste is, dat weinigen in staat zyn dezelve, hoe redenloos zy ook zyn mag, te beteugelen, wanneer haat, of weerwraak hun hart bezielt: een kleine hoon heeft dikwerf den ondergang van geheele volkeren veroorzaakt, nog dagelyks vergiet men het kostelyk menschen bloed om kelinigheden, en men wendt zyn oog van de beschouwing der ongeluykkige burgeren af, door een ingebeeld voorgeeven van geschonden eer, ’t welk meest al op verwaandheid uitkomt!

THE

P H I L O S O P H E R.


N°. 47.

The 24th November 1766.


Continuation of the Moral Upbringing of Children, etc. N°. 26.

Sympathy ...

370 DE PHILOSOOPH.

     Ons bestek betreft alleenlyk de middelen, om den kinderen de wreedheid af te leeren, en medelyden in te boezemen. Zal men hun hart niet bederven, zo behoort men, al zyn ze nog zo jong, nimmer goed te keuren hun vermaak in die genen te pynigen, welke hun goed doen, of onverschillig zyn: schielyk zullen zy ophouden hier in voort te gaan, wanneer men op eene wyze, naar hunne tedere jeugd geschikt, die beginzelen van wreedheid bestraft, en vooral nimmer tekens geeft van genoegen te hebben in die redenlooze aardigheid.
     Het is veel moeijelyker wanneer de jongens zeven, agt of negen Jaaren oud geworden zynde, hier en daar, voornaamelyk buiten, speelende, zig bezig houden, en vermaaken met het plaagen van weerlooze Dieren, die te pynigen, en jammerlyk om te brengen: Allen zonder onderscheid scheppen hier een zonderling vermaak in, men mag hen duizendmaal berispen, het komt overeen uit, het uittrekken van de vleugel, of van een poot uit een vlieg, het doorsteeken van een stak, en het martelen van een kikvorsch geeft hen een geduurig vermaak, en gewent hen aan wreedheid. Alle redeneering hoe klaar, hoe duidelyk, hoe gegrond ook, heeft geen vat op hun dartel gemoed; misschien komt die moetwil minder voort uit wreedheid, dan wel uit hoogmoed: het zien vlugten van een dier, op hun aankomst en naajaagen, vermeerdert hunne lust om het scherper te vervolgen. Zy worden door de kleine dieren zelven niet afgeschrikt, want de meesten, van geluid ontbloot, verwekken geen medelyden; De grooten durven zy niet aan, zo dat zy immer voortgaan in het pynigen van die dieren welke onder hunne macht zyn, en geen gekerm maaken, of tekens geeven van pynelyke aandoening.
      By eene geschikte opvoeding derhalven behoort men hen zo klaar als moogelyk voor te stellen, dat het dier, schoon lelyk in hun oog, niet misdaan hebbende, nog immer misdoende, geene straffe verdient; dat men het dierbaar leven niet beneemen moet aan het geringste schepzel, en vooral niet moedwillig, eindelyk hun voor oogen houden, dat het wreedheid is, en derhalven

370 DE PHILOSOOPH.

English

DE PHILOSOOPH. N° 47.371

een misdaad. Het dikwerf voorhouden van die beschouwingen zal wel den moetwil niet geheel wegneemen, maar evenwel de hebbelykheid stuiten in het vermoorden van weêrlooze dieren, en hun, ouder geworden zynde, te binnen brengen den goeden raad van hunne braave Ouderen, en met te meer ontzach het leven doen beschouwen van duizenderlei gediertens, welke ons onverschillig zyn; eindelyk medelyden doen hebben met hun ongelukkigen staat, en hunnen kinderen dezelfde loffelyke beginzelen inboezemen.
     Zommige kinderen, een weinig meer redeneerende, voeren ons zomwylen te gemoet, waarom men geen vlieg mag dooden, daar een Spin met zo veel woede door de meeste moeders gedood wordt, daar de Mug niet alleen hevig agtervolgd, maar Hoenders, Duyven, Lammeren, en andere Dieren gedood worden, alleenlyk om dat ze ons of moeite veroorzaaken, of tot spyze strekken?
     Het is my altoos moeijelyk voor gekomen dit op te loffen. De Dieren zyn zekerlyk geene bloote werktuigelyke wezens, gelyk eerst GOMESIUS PAREIRA, en naderhand DESCARTES en zyne navolgers gewild hebben. De werkingen der Dieren, hun oordeel, geheugen, haat, liefde, wraakzucht, en meer andere driften zyn bewyzen van een werkend beginzel ’t welk zo min stoffelyk zyn kan als onze ziel: waarom zouden zy zulk een beginzel niet hebben ’t welk de denkbeelden van uitwendige voorwerpen ontfangt, daar zy oogen, ooren, neus, tong, gevoel, en dus dezelfde Zintuigen hebben, en eveneens gevormd als de onze, en zommigen die Zintuigen zelfs volmaakter naar maate van hunne geschiktheid bezitten. Ik denk derhalven dat de Ziel der Dieren onstoffelyk is, schoon min volmaakt dan de onze.
      Onderwylen hebben de Wysgeeren besluiten gemaakt uit deeze laatste stelling, dat de Zielen der Dieren onstoffelyk zynde uit zig zelve onsterfelyk zyn moesten, het welk niet alleen ongerymd, maar strydig is tegens het gene de H. Schift ons leert.
     DESCARTES oordeelde beter te zyn den Dieren

DE PHILOSOOPH. N° 47.371

English

372 DE PHILOSOOPH.

eene Ziel te weigeren, dan te stellen, dat zy onschuldig aan duizenden ongelukken en elenden bloot gesteld zouden zyn; MALEBRANCHE gaat verder, en beweert dat geen wezen, onder een rechtvaardig God, ongelukkig zyn kan zonder het verdiend te hebben; ’t gene uit AUGUSTYN overgenoomen schynt. Het was derhalven, naar hun oordeel, beter te stellen dat de Dieren geheel geen gevoel, nog aandoening van vreugde of droefheid hadden, dan tot zulke ongerymdheden over te gaan, te meer daar hun Lyden nimmer vergolden wierdt nog konde worden in een ander leven.
     Wy kunnen, gelyk reets gezegd is, den Dieren geene Ziel weigeren, en veel minder een gevoel, dat is eene aandoening van vermaak en droefheid; maar wel dat zy geene rede hebben, geen kwaad nog goed kennen, en geen denkbeeld hebben van wetten of order.
     Zo draa wy nu stellen dat de Dieren gevoel habben van smert en vermaak, hoe ongelukkig zyn dan de meesten, indien niet allen! Wy konnen niet ontkennen, dat de meeste Dieren geschaapen zyn tot elkanders voedzel, wy zien dit alle dagen duizendmaal, de meeste Vogelen aazen op insecten, de Roofvogelen op kleiner, de Spin, de Kikvorsch, de Padde, de Rombout, de Vischen overtuigen ons dagelyks van die waarheid; Het is dierhalven Gods wil, dat zo veele duizenden Dieren gebooren, en met Zielen voorzien, en opgegeeten, dat is vernield worden, enkel om eenige weinigen te doen bestaan; waar uit klaarblykelyk volgt, dat de Zielen dier Dieren vernietigd konnen en moogen worden zonder dat Gods goedheid daardoor in het geringste lyde; en dat, ten anderen, de Dieren zulk een gevoel van dood of smart niet hebben, als wy ’er aan toeschryven. Indien dit zo was, zoude het byna schynen als of het dooden van Dieren, in den Kinderen zo groot eene fout niet was, ten minsten geene wreedheid, ten ware men op den moetwil zag, welke altoos berispelyk blyven zal. Het vernietigen onderwylen van een onstoffelyk wezen klinkt ons altoos hard in de ooren, ofschoon onze hedendaagsche Philosophen ’er zeer ligt over heenstappen.

372 DE PHILOSOOPH.

English

DE PHILOSOOPH. N° 47.373

Eens immers gesteld zynde, dat alle Dieren om onzentwille, en niet alleen tot ons onderhoud, maar ook tot ons vermaak gemaakt zyn, zo lost zig alles gemakkelyk op, want dan kan men aandringen, dat alle die vernietigingen dienen om het geluk der redelyke Wezens te volmaaken. En dan mogen wy derhalven eene onnozele Duif dooden, een Lam of een ander Dier, en hunne Lighaamen zo wel als hunne Zielen vernielen en vernietigen, niet slegts omdat wy ’er ons Lighaam mede voeden, maar ook onzen Geest mede vermaaken, of door derzelver naspooring kundiger worden; het is onze Ziel of ons Lighaam, dat ’er eenig nut van heeft. PYTHAGORAS ontdook de vernietiging der Zielen, door het invoeren van verhuizing uit het eene Dier in het andere. Dog deeze stelling, inzonderheid van den overgang van Menschen Zielen in de Lighaamen der Dieren, is zo ongerymd, dat zy thans met rede belaggelyk gehouden wordt.
      De redeneering uit het gene wy, volstrekt op Gods wil, omtrent de andere Dieren zien geschieden, welke geschikt zyn om d’een den ander te eeten, is niet geheel en al ongegrond, wat misdaad zou ’er voor ons meer in zyn dat wy eene Snip eeten, en vernielen, dan dat die Snip duizenden Wormen vernielt? Het is met honderd andere Dieren, als Snoeken, en Visschen in het algemeen, even eens gelegen. De Schaapen, Haazen, Konynen eeten gras, niet om dat zy het leven van Dieren spaaren, maar geschikt zyn om gras te eeten, of andere kruiden. Het blykt derhalven dat het dooden van Dieren tot ons gebruik, of afweering van schaade, indien niet geoorloofd, ten minsten vry onverschillig is. Maar met dat alles is het niet onverschillig een Dier moedwillig te dooden, of te pynigen. Dit is tegen den wil des Scheppers. De Spin doodt terstond zyn gevangen Vliegje, wanneer hy het gewaar wordt, en nogthans ziet men, dat zommige geheele dagen lang trachten te ontvliegen, om den dood te ontgaan, worstelende, zo het schynt, niet zonder benaauwde aandoeningen, tegens het gevaar van vernieling. De Adder beneemt niet aanstonds het leven aan zyn prooi, zyn vergift doet dikwerf het gekwetste Dier

DE PHILOSOOPH. N° 47.373

English

374 DE PHILOSOOPH.

langzaam en smertelyk sterven, ten minsten in onze verbeelding. Indien wy no al de vernietiging niet als ongelukkig beschouwen, maar, gelyk zommigen der Heidensche Wysgeeren, onverschillig, zo is het evenwel zeker, dat het lang lyden dus niet kan begreepen worden, ’t en ware men stelde, gelyk reets aangeroerd is, dat het gevoel in de Dieren minder sterk was, dan wy ons verbeelden; eene stoffe die nog veel duisterheid schynt onderhevig te zyn.
      Het is dan zeker, dat het pynigen van Gediertens, het plaagen, en dooden van dezelven, het hart bederft, en in de Kinderen tegengegaan moet worden, om hun niet alleen medelyden in te boezemen, maar teffens grootmoedigheid: Het is immers een bewys van barmhartigheid, wanneer ik een Wezen van wat natuur het ook zy, ’t welk gevoel van smert heeft, helpe, die smert afneeme, en niet vergrootte: Grootmoedig, wanneer ik een Schepzel, geringer in kragten dan ik ben, niet alleen niet vervolge, maar gelukkiger maake door myne hulpe! En in tegendeel wreed wanneer ik het smert aandoe; en veragtelyk, wanneer ik het om myne grooter magt vervolge.
     De Ouden hebben de Jeugd, die tot den Krygsdienst aangelegd wierdt, om hunne Lighaamen aan moeijelykheden te gewennen, tot de jagt aangemaand, maar zy hebben tevens zulk eene jagt alleen aangepreezen, welke teffens het hart tot grootmoedigheid en deugd vormen konde. PLATO noemt daarom de jagt, welke te paard of te voet geschiedt op viervoetige Dieren, als alleen waardig aan een fatzoenelyk Man. Hy verbiedt in tegendeel uitdrukkelyk alle jagt op Vischen met den angel, of met netten, om dat ze het hart tot wreedheid en vermetelheid opleidt. De jagt op gevogelte, met laagen en netten, oordeelt hy meer een slaaf dan een fatzoenelyk Man te passen; en voooral verwerpt hy het Jaagen des nagts met honden of netten, als niet loffelyk zynde en verraaderlyk.
      Wanneer men alle de Jagten, die met laagen geschieden, wel betragt, schynen ze het hart tot verraad te konnen neigen, veeltyds evenwel is de hebzugt meer het beginzel waaruit gewerkt wordt, dan verraad. Het

374 DE PHILOSOOPH.

English

DE PHILOSOOPH. N° 47.375

komt ’er op aan om veel Wild te vangen, en men stelt alle middelen te werk die in gebruik zyn, zonder op die zedelyke eigenschappen te denken. Daar de jagt of het recht tot dezelve zeer bepaald is, vermaakt men zig zo als men kan: in Holland hebben zelfs weinig der ryke Ingezetenen recht tot de jagt, het Visschen en Vinken blyven derhalven alleen over, indien men dit, uit vreeze van het hart der Menschen te bederven, niet mogt doen, bleeven ’er in het geheel geene uitspanningen over; ook houde ik my verzekerd, dat er nauwlyks een hengelaar gevonden wordt, die alleen uit een bedorven hart tot verraad een Worm aanslaat om een Baarsch te vangen. Het lot der Vinken is my beklaaglyker toegescheenen, inzonderheid het blinden, ’t welk ook meesten tyds aan laagere Menschen wordt overgelaaten, die door hoop van gewin aangespoord niet zonder moeite hunne neiging tot medelyden overwinnen.
      Het is evenwel vry zeker dat onder de Jagers zekere edelmoedigheid plaats blyft houden, die een bewys is van den invloed deezer oeffening op het Menschelyk hart; Geen een zal een Haas in het leger, of slaapende doodslaan, zonder zig veragt te maaken by zyne medemakkers, en in zo verre zelfs blykt het, hoe veel invloed op het menschelyke hart deze anderszins onverschillige zaak heeft.
     Tot medelyden zal men den Kinderen met meerder nut aanspooren, met hen te geleiden in de woonplaatzen van arme Menschen, van Ziekenhuizen, van Bewaarplaatzen der zulken, die van het verstand beroofd zyn; De Ryken immers zelfs van naby de smerten hunner Medemenschen niet kennende zyn ongevoelig, wanneer zy in ’t voorbygaan elende zien. Waarom zal men onze Jeugd niet voeren in Gasthuizen, onze wel geschikte Weeshuizen en dergelyken, op dat zy door het ongeluk van Weduwen, van Wezen, van ongelukkige Lyders diep in het hart getroffen medelyden krygen, en, uit dat edelmoedig beginzel, door Aalmoezen het ongeluk hunner Medebroederen verzagten. Het zien van een Krankzinnighuis zal een medelyden inboezemen over

DE PHILOSOOPH. N° 47.375

English

376 DE PHILOSOOPH.

verstandeloozen; en het voorbeeld van opgeslootene kwaaddoenders aandoening en medelyden over hun ongeluk; alle deeze treffende voorbeelden zullen by de meesten het hart beter vormen, dan de beste vermaaning.

C.


Deeze Vertoogen worden alle Maandagen uitgegeeven, te Amsterdam, in de Boekwinkels van Pieter Meijer, vooraan op den Vygendam, en van de Wed. K. van Tongerio en Zoon, in de Kalverstraat; als mede te Dordrecht by de Erven van Braam en A. Blussé, Haarlem by J. Bosch en N. Beets, Delft by E. v. d. Smout, ’s Gravenhage by H. C. Gutteling, Leiden by P. van der Eyk, Rotterdam by R. Arrenberg en D. Vis, Middelburg by P. Gillissen, Utrecht by G. vander Veer, Leeuwaarden by H. A. de Chalmot, Franeker by J. Ippinga, Harlingen by F. van der Plaats, enz.

376 DE PHILOSOOPH.

English

C.

09/22/05 Valid HTML 4.0!